Schrijven: gesprekken 2

Hoe lang laat je een gesprek duren? Bij een korte dialoog kun je de sprekers benoemen  en hen handelingen laten verrichten. In deze trant.

“Als je gaat, zul je alles zelf moeten doen. Dat kost geld en tijd”, rekende mijn moeder voor.

“Daar gaat het me dus om, dat ik alles zelf moet doen”, besloot ik. “Zo’n lekkere karbonade als deze …die wil ik dan zelf leren braden.”

“Ga je samenwonen?”, vroeg mijn vader, terwijl hij een eerste lepel uit de brijberg op zijn bord kritisch zat te proeven. “Mag ik nog wat jus, Sjaan?”

“Voorlopig niet”, antwoordde ik. “Jacqueline moet eerst haar opleiding afmaken. En ze heeft moeite om haar moeder alleen te laten. Haar zus Winnie gaat naar Maassluis. Marianne gaat trouwen volgend jaar.”

“Als ik op mezelf ga wonen, wil ik ook piano leren spelen, pa”, hervatte ik het gesprek. In stilte hadden we de maaltijd verorberd. Ik nam het karbonadebot in beide handen en scheurde met mijn voortanden een reepje vlees los. Al kauwend praatte ik verder.

Wordt het echt een lang gesprek en is beschrijven van handelingen niet relevant, dan kun je het best jezelf niet dwingen om telkens die aanhalingstekens en werkwoorden als ‘spreken’ te gebruiken. Alleen een streepje geeft aan dat iemand anders de spreekbeurt heeft. De kunst is dan wel in de uitgesproken zinnen de spreker te onderscheiden…door zijn manier van praten. Als hieronder.

– M’nheer. Havelaar. Heeft. Gezegd.
– Welzeker, Verbrugge, waarom niet? Die dame kan bij ons blijven. Ik zou niet gaarne…
– Dat. Het. Goed. Was. sleepte de resident er met veel moeite bij.
– Ik zou niet gaarne mijn huis ontzeggen aan een dame in háár omstandigheden! Zo iets spreekt vanzelf…nietwaar, Tine? Ook Tine meende dat het vanzelf sprak.
– U heeft twee huizen te Rangkas-Betoeng, zei Verbrugge. Er is ruimte in overvloed voor twee familiën.